De vloek van de Duveltjesgracht - Een Gorcumse legende komt tot leven - van 13 september t/m 12 oktober 2008


Faceworksfx - Davy Uittenbogerd
Grimeopleiding - Willy Lemmen
Rare Kwasten - Karen van Keeken
Folky - Helga Buitelaar


Het verhaal van de Duveltjesgracht


Van generatie op generatie is het verhaal van de Duveltjesgracht te Gorinchem in vele vormen verteld.
Roy Grünewald maakte de laatste theatrale bewerking van deze legende. Hier volgt in het kort zijn beschrijving van de geschiedenis van deze onheilsplek. 
    
   

Hoewel verboden, ziet men overal in de stad op warme dagen jongelui van bruggen in het water springen, maar nooit in het inktzwarte water van de Duveltjesgracht.

‘Wie hier te water geraakt zal zonder mededogen
in dees donkere, onheilspellende gracht
een prooi zijn van satans ogen.
Zijn klauwen gereed om met volle kracht
de ongelukkige aan zijn benen regelrecht
te trekken naar de hellepoort alwaar een vreselijk lot hem wacht.
Luistert en huivert.’

Lang geleden stond op deze plek aan de oever van de Merwede het trotse kasteel van de ridders van het geslacht van Zevenzwaard. Het kasteel bood de burgers van Gorinchem een veilige plek in tijden van oorlog en nood en de ridders zorgden voor welvaart. Toen trouwde de alom geliefde ridder Hugo met een meisje van eenvoudige komaf, genaamd Aleid. Niet lang na hun huwelijk gaf de ridder gehoor aan een oproep van de paus om ter kruistocht te gaan naar het Heilige Land. Zo bleef vrouwe Aleid alleen achter.
Op een onzalige dag verscheen de duivel zelf, vermomd als een muzikant. Eerst vrolijkte hij haar op met zijn muziek en niet veel later fluisterde hij haar in het oor:

‘Kijk, nu ben je nog mooi, zie je lach.
Zie, hoe je ogen glinsteren, hoe je lange blonde lokken
je prachtige gezicht omlijsten.
Maar, Aleid, waarvoor?
Je kent toch die verhalen van die ridders die ter kruistocht gaan?’

En hij vertelde over kruisvaarders die nooit meer terugkeerden omdat zij wreed waren gemarteld en vermoord, of waren gevallen voor de charmes van exotische vrouwen onderweg. En àls er mannen terugkwamen waren ze zonder uitzondering gehavend, verminkt of besmet met de pest. Aleid geloofde die gruwelijke verhalen. Al snel haalde de duivel haar over om vanaf nu aan zichzelf te denken en van het leven te genieten. Hij bracht nieuwe vrienden mee en zorgde voor muziek, vrolijkheid en laag plezier. Nog nooit vloeide de drank zo rijkelijk tijdens de nachtelijk bacchanalen.
De burgers zagen met lede ogen aan hoe het kasteel geen veilig oord meer was. Tevergeefs klopten zij aan om hulp. In de winter die volgde op een mislukte oogst leed het volk honger en op zekere dag trokken zij op naar het kasteel. Een jonge boer trad naar voren en vroeg vrouwe Aleid om wat brood en melk. Haar antwoord was een dodelijke pijl die hem recht trof in het hart. Tot afgrijzen van de dorpelingen gaf zij opdracht aan haar soldaten om zijn lichaam in de Merwede te gooien en het bloed op de plavuizen met melk weg te spoelen. Krijsend lachend stortte zij zich daarna weer in het feestgedruis.


‘Het volk hoorde hoe tot diep in de nacht
het geluid weerklonk van scheldpartij en dubbele tong,
van orgieën en schaterlach
wat tot in hun huizen drong’

Tegen middernacht werd vrouwe Aleid verteld dat er een paar bedelaars aan de poort stonden. Kraaiend van plezier had zij in haar beschonken toestand uitgekrijst dat ze wel zin had in nog meer bloed. Het zal ze leren! Uitdagend maar met vals gemoed stond ze de bedelaars te woord. De voorste man vroeg haar om een kom met melk voor hem en zijn lotgenoten. Net dat zij het bevel wilde geven om de pijlen af te schieten, wierp de voorste bedelaar zijn kleed af. Daar stond voor haar niemand minder dan Ridder Hugo van Zevenzwaard, haar echtgenoot! Ze verstarde een moment en wilde zich toen vol vreugde in zijn armen storten, maar…

‘Vol walging weerde hij haar met ferme hand.
Ik hoorde van je wangedrag Aleid.
Ik weet genoeg – vaarwel.
Hier helpt nochtans geen enkele spijt.
Dat de duivel je moge halen in het diepste van de hel!’

En hij en zijn vertrouwelingen maakten rechtsomkeer.
Aleid krijste het uit van verwarring, wanhoop en spijt.
Te laat, te laat, des ridders vloek was reeds een feit!’

De hemel scheurde open en de vinger Gods verscheen als een razende cycloon. Geen mens kon deze wrake nog ontvluchten en met donderend geraas stortte het eens zo trotse kasteel met al zijn duivelse bewoners in de donkere diepte van de hel. 
Eeuwen gingen voorbij, maar op de duveltjesgracht zoals het inktzwarte water werd genoemd bleef het angstvallig stil. Geen leven is daar. Geen vissen, geen eenden, ja zelfs de eenvoudige waterspin waagt zich niet op deze onheilsplek…