De vloek van de Duveltjesgracht - Een Gorcumse legende komt tot leven - van 13 september t/m 12 oktober 2008


Faceworksfx - Davy Uittenbogerd
Grimeopleiding - Willy Lemmen
Rare Kwasten - Karen van Keeken
Folky - Helga Buitelaar


Historie van de Blauwe Toren
Bron: W E R K G R O E P    A R C H E O L O G I E  G E M E E N T E    G O R I N C H E M

In 1412 kwam er na elf jaar strijd een einde aan de Arkelse Oorlog. De vrede tussen Holland en Gelre werd op 26 juli 1412 in Wijk bij Duurstede getekend. Nog geen maand later werd Willem VI van Beieren binnen Gorinchem als landsheer gehuldigd. Kort daarna liet hij de Arkelse burcht in het Wijdschild, ten oosten van Gorinchem, afbreken en begon met de bouw van een eigen kasteel aan de Merwede, ten zuiden van de stad. Er is over dit kasteel weinig bekend. Men gaat er tot dusver vanuit dat het kasteel van Willem VI (en later van Jacoba van Beieren), ten zuiden van de huidige Revetsteeg lag. Het zou onderdeel uitmaken van de middeleeuwse stadsversterkingen. 

Karel de Stoute
Bijna vijftig jaar later (1461) begon Karel de Stoute met de bouw van een 'nieuw' kasteel, bedoeld als bolwerk tegen zijn vader Philips de Goede, met wie hij op dat moment in onmin leefde. Ook wilde hij een brug over de Merwede laten leggen.

  

De brug werd niet gebouwd, zijn kasteel slechts gedeeltelijk. Vader en zoon verzoenden zich in 1465. Een markant onderdeel dat wel gereed kwam, was een grote, uit arduin (een blauwe hardsteen) opgetrokken, toren op de zuidoosthoek, die de 'Blauwe Toren' werd genoemd.

Beschrijving
Zowel Stamkot als Van Goch veronderstelden dat Karel de Stoute een nieuw kasteel liet bouwen. Dat is natuurlijk goed mogelijk. Maar aannemelijker is dat hij het dan nog geen vijftig jaar oude complex naar zijn wensen liet aanpassen en uitbreiden naar de rivierzijde. Abraham Kemp gaf in zijn kroniek (1656) een uitgebreide, met superlatieven doorspekte, beschrijving van het Bourgondische kasteel:

"Graaf Kaarl van Charloys Heer van Arkel, eenigh wettigh Soon van den groot machtigen Hertog Philips van Bourgoenjen en van de Nederlanden, toonende dat hy Gorinchem en Arkel meer beminde dan syn ander Heerlijkyen van Betuynen, Castrebelin, Putten, Stryen, en Goyland, doet in dit jaar 1461 op S. Lamberts-avond, beginnen de grondvesten van twee groote geweldige Torens aan 't Kasteel tot Gorinchem, met een lange Zaal ontrent de Merwe, (by mijnen tijd nog genoemt den blauwen Toorn) welks gelijk van grootte, dikte en rondigheyd van Toornen, in geheel Duytsland, en Vrankrijk niet en was"....

Kemp heeft het hier duidelijk over een uitbreiding van wat hij noemde 't Kasteel tot Gorinchem'. Dit wordt onder meer bevestigd door het ontbreken van archiefgegevens over de afbraak van het kasteel van Willem van Beieren.

.... "Op dat men niet en meen dit met onwaarheyd gestelt te zijn. 't uytstek boven Duyts en Wals, soo weet, dat men den eersten Tooren dik was van muyren 36. voeten, en bleef boven dik 29. voeten, uytermaten konstigh gewrocht, met sterke gevangenissen, schoon-gewulfde Kelders, heerlijke ysere traeljen, door welke, als door andere spiegaten 't licht geschept wierd, hebbende binnen eenen schoonen Born-put die 't helder stroom-water uyt de Merwen ontfing. Den 2. Toorn was even dik, maar niet soo hoogh opgehaalt. Den 3. Toorn bleef onvolmaakt, alles van blauwen steen, uyt het ingewand van de Luykse bergen gebraakt. Boven op den eersten Tooren wierden daar na gemaakt van grauwen Arduyn, veel schoone kameren, met veel solders, met blauwe daken en veel heerlijke lichten, en vensteren, boven, binnen muyrs een vierkante plaatz, en veel wooningen. Ook eenen hoogeren uytstekenden Tooren, met breede steenen weyndel-trappen, boven eenen Trans, of Omgangh om den vierkanten Toorn, met een trap, en binnen een Koren-molen, om met peerden te malen, buyten het blauwwerk was eenen schoone Cingel, om den grooten Tooren daar men rondom uytsien kon, te water en te land, met een afloopend dak, heerlijk t'aanschouwen, rondom met een wyde gracht, en t' anderlingh, om een sluys daar heen, na binnen te leyden, (mijnen Schrjver seyd, dit alles gesien en betreden te hebben.) In 't bovenst' van de Burght na de Merwen-zy, stond eenen grooten vierkanten Tooren, genaamt Barbarien, na 't Oosten Hertogh Kaarls Toorntjen, met lustigh uytsien over 't water, voort eenen Tooren, Bourgoenjen genaamt, diep aan den stroom uytstekende, met hooge muyren. Aan de poort, daar by onsen tijd den Wolfs-kuyl aan den fluyt-boom van de haven was, stond Heer Hertog Philips van Ravesteijns Toorntgien. In 't bovenste voor-hof, was een Cingel-muyr met hooge steenen bogen, daar in een poort was, en Toorn, met een Valbrug' na 't nederste hof en een gracht daar om, met eenen ronden Toorn op den hoek na de Stad toe, (onder was de pijnbank) boven plat, overwelft met een Kerk daarin, 't nederste Hof had schoone hoven, een grooten Linde-boom, met een seting, over-muyrt groote lange stallen, een poort en gracht ter Stadtwaard, en Almeyen daar voor..."

Bourgondische bouwmeester
Het bouwwerk bestond o.a. uit een zeer grote donjon met uitzonderlijk dikke muren, aan de buitenzijde bekleed met vochtwerende blauwe hardsteen. Aangezien het aan de rivier lag moet het funderen ervan een enorme onderneming zijn geweest. Het vormde een hoogtepunt van middeleeuwse fortificatiekunst en funderingstechniek en was qua architectuur een vreemde eend in de Nederlandse bijt. Een dergelijk type versterking komt bijvoorbeeld in Noord-Frankrijk voor (Coucy-le-Château). De bouwmeester, Fastré Hollet, was van Bourgondische herkomst. Hollet werd in 1472 genoemd als leverancier van kalk voor Slot Loevestein. Hij was volgens de rekeningen belast met de bouw van 'het Slot van Gorinchem.'



Jacob van der Ulft
Van de Blauwe Toren bestaan vrijwel geen contemporaine afbeeldingen. Kort na de publicatie van Kemp in 1656, verscheen van de hand van Jacob van der Ulft een gravure van het kasteelcomplex. Behalve op de beschrijving van Kemp, baseerde Van der Ulft zijn voorstelling vermoedelijk op de gravure uit het stedenboek van G. Braun en F. Hogenberg uit ca. 1580 waarop, in een sterk vertekend stadsgezicht, een vierkante (!...) Blauwe Toren te zien is. Dit element vinden we in zijn gravure terug als de toren "Brouwery".



Daarnaast kende hij mogelijk een anoniem paneel uit 1568 met een gezicht op Gorinchem vanuit het oosten, tegenwoordig in de collectie van het Gorcums Museum. Met de beschrijving van Kemp nam hij het overigens niet al te nauw. Hij beeldde een door Kemp genoemde tweede toren aan de stadszijde niet af en plaatste op het terrein een kapel, die volgens Kemp juist in een van de torens gehuisvest was. De achterliggende stad tekende hij niet. Zijn gravure geeft slechts een voorstelling van het ideale kasteel zoals de Gorkummers op dat ogenblik graag in hun stad gezien zouden hebben. Hij droeg de gravure op aan mr. Hugo Boxel, de secretaris van het stadsbestuur.

Jacob van Deventer
De plattegrond van Jacob van Deventer in zijn stedenatlas uit ca. 1558 geeft waarschijnlijk een betrouwbaarder beeld van het complex. Opvallend is dat zijn tekening volledig strookt met de beschrijving van Kemp. Zowel Kemp als Van der Ulft, maar ook Van Goch, kenden het werk van Van Deventer niet. Jacob van Deventer werkte in opdracht van de Spaanse koning Philips II. Zijn stedenatlas werd pas aan het eind van de 19e eeuw in Nederland bekend omdat hij al die tijd in Spaans bezit was.



Afbraak
In verband met de aanleg van een nieuwe vesting, werd in 1578 gestart met de ontmanteling van het kasteel. Het vormde een zwakke schakel in de verdediging van de stad en paste daarom niet in de plannen van de vestingontwerper Adriaan Anthonisz. De vrijgekomen stenen werden gebruikt voor de nieuwe vesting. Kemp schreef :

"Dit hoog-beroemt Kasteel, dese voortreffelijke Toorens, Poorten, Muyren, Cingelen, en ander heerlijke gebouwen zijn beginnen af te breken 't jaar 1578 en ten lesten tot den grond toe vernielt 't jaar 1600 hebbende in 't volkomen gestaan hondert en seventien jaar, van 1461 tot 1578 en voort stukwijs tot 1600. Sulks dat ik daar noch verscheyden Gebouwen wel een mans lenghde hoogh, boven de Aarden, af ghesien heb."



Slechte slotvrouwe
Een tekening van de op te richten noodversterkingen, die tijdens de aanleg van de nieuwe vesting de stad tegen tussentijdse aanvallen moesten beschermen, door schout Jacob Kemp (1592), geeft de exacte ligging van de resten van de hoofdtorens weer. Van der Aa meldde dat pas in 1831 de laatste brokken van de funderingen uit het zicht verdwenen.
Deze overblijfselen spraken ongetwijfeld tot de verbeelding van de inwoners van de stad, en vormden de basis voor de plaatselijke versie van het 'Vrouwtje van Stavoren'. Iedere Gorkummer kent wel het verhaal over de slechte slotvrouwe die in tijd van hongersnood de curieuze gewoonte had om voor de ogen van armen haar binnenplein te schrobben met melk, totdat God er genoeg van kreeg, en haar voor straf met kasteel en al in de Duivelsgracht (of Duveltjesgracht) liet verdwijnen...